Busritje

Joris zit in de rolstoelbus. We hebben er eentje gehuurd voor een weekend. Om vast te oefenen voor straks als we genoeg hebben gespaard. Mama oefent met inparkeren. Toch wel spannend met zo’n grote bus. Joris geniet van het ritje. Hij wipt al enthousiast heen en weer als we de lift laten zakken. Hij gaat elke dag graag in de bus naar het dagverblijf. Maar nu is het anders. Nu mag hij met zijn ouders en zijn grote zus mee. Als een koning zit hij achter ons, in zijn eigen rolstoel. Hij kijkt naar de wondere wereld die voorbij raast. De bomen, de auto’s, de huizen, misschien zelfs wel kastelen, ridders en draken. Zijn ogen glinsteren bij al dat moois dat zich in dat grote raam openbaart. Of het echt mooi is, dat valt natuurlijk te betwisten. Een boze bestuurder toetert geïrriteerd naar de auto voor hem. Middelvinger in de lucht. Maar Joris vindt het mooi en daar gaat het om. Hij moet lachen als papa moet remmen. De fietser aan de overkant kijkt stuurs naar het licht dat op rood springt. Joris zit al blij te knikken, vol verwachting van wat er straks gebeuren gaat. Als het stoplicht op groen springt, vult zijn vrolijke schaterlach de ruimte. “Groen”, zegt zijn papa enthousiast. Joris knikt instemmend en moet nog harder lachen. De fietser fietst voorbij, geen besef van het wonder dat zich zojuist heeft voltrokken. We gaan de tunnel in. Het is ineens donker en de lichtjes flikkeren over de auto heen. Wat een pret. Joris geniet. Vol verbazing kijkt hij om zich heen, als de bus het daglicht weer induikt. “Donker… Licht”, zegt zijn papa weer enthousiast. Ik moet denken aan de wasstraat waar Joris met dezelfde verwondering kijkt naar al die grote borstels voor de ramen. Gebiologeerd door het oorverdovende geluid op het dak. We sluiten af met een kopje koffie in het wegrestaurant boven de A4. Joris mag voor het raam. Hij kijkt naar beneden naar al die auto’s die voorbijrazen. Ze hebben allemaal haast, op weg naar de volgende bestemming. Joris heeft geen haast. Hij staat stil te genieten. Hij staat er letterlijk boven en kijkt naar beneden als een koning naar zijn koninkrijk. Een koning is hij zeker, zoals hij kan genieten van een busritje als ware het een fantastisch avontuur. En ik? Ik voel mij bevoorrecht dat deze geweldige passagier in mijn auto zit.