Koninginnedag 2012

Ik heb eigenlijk niet zoveel met Koninginnedag. Al die oranje uitgedoste mensen vind ik er best feestelijk uitzien, maar het is niks voor mij. Wat een gedoe om de koningin. Gek genoeg vind ik bevrijdingsdag altijd geweldig. Maar Koninginnedag… Nee. Laat het maar aan mij voorbij gaan. Maar met kinderen kan dat natuurlijk niet. Met Mirthe belanden we dan ook altijd op kinderfestival of kermis. Prima. Maar toch. De laatste twee jaar vond ik het zo’n gedoe met Joris in de drukte. Confronterend ook. Al die dansende en springende kinderen. Voor mijn zoon was er niets aan. Hij kan niet op het springkussen en zat ontevreden in zijn buggy. Ik was blij als het avond was.

Maar deze Koninginnedag is anders. Ik denk aan de koningin die iemand mist op deze belangrijke dag. Haar zoon. Haar zoon die niet meer kan lachen en geen contact meer maakt. Ik voel voor het eerst sinds al die Koninginnedagen in mijn leven een diep respect voor haar. Respect voor hoe zij haar verdriet draagt en hoe zij er toch een mooie dag van weet te maken. Vandaag is het mooi weer en ik wil met mijn zoon naar buiten. De feestende mensenmassa in. We fietsen over het fietspad van Velserbroek naar Haarlem. Papa rijdt met Joris voorop op de rolstoelfiets. Mama heeft Mirthe achterop. Opa en oma volgen. Zo fietsen we met zijn zessen achter elkaar. Joris voorop.  Als een koning op zijn troon. Hij zingt en kraait het hoogste woord.  Een briesje waait door zijn haren. Langs het fietspad op de stoep liggen allemaal kleedjes met nog meer spulletjes en lachende mensen en kinderen. De zon schijnt op mijn rug en ik voel me blij. We gaan met zijn allen op de fiets naar de stad. Wat een vrijheid, dankzij onze prachtige rolstoelfiets! In de stad is het druk. Iedereen is blij want het is erg mooi weer. Wij parkeren de fietsen en koppelen de rolstoel van Joris af. We gaan te voet door de straatjes en steegjes. Joris vindt het heerlijk al die drukte. Hoe meer mensen, hoe beter. Hoe meer lawaai, hoe gezelliger. Er is een optreden met clowns. Mirthe en Joris krijgen een oranje ballon. We gaan naar een pleintje met een bandje. Mirthe komt een vriendinnetje tegen en springt op het springkussen. Wij drinken een biertje. Joris babbelt wat. We tillen hem uit de rolstoel en gaan met hem dansen. Joris strekt zijn armpjes uit, van mama naar papa en weer terug naar mama. Mirthe danst en springt op de muziek. Ik knuffel Joris, draai rondjes met hem. Mijn zoon lacht en maakt contact. Misschien ben ik wel rijker dan de koningin. Wat een heerlijke Koninginnedag!

Babytijd

Hoe vaak verlangen wij moeders nog terug naar de babytijd van onze kinderen. Voor het gemak vergeten we de ongemakken en de pijntjes. Slapeloze nachten liggen achter ons en lijken ineens niet meer zo zwaar. Verlangend en verrukt kijken we met zijn allen naar het pasgeboren wezentje in de kinderwagen van collega, buurvrouw en vriendin.  Als het even kon, zouden we het zo weer over doen. Het gevoel dat ik heb bij een baby is altijd dubbel. In de kinderwagen van mijn omgeving ligt een mooi kindje dat er gezond uitziet. “Waarom is het haar weer gelukt?”, denk ik. Haar lijf baarde een gezond kind. Een eerste, een tweede en een derde keer. Zij bracht een gezond kind voort. Zij ook. En zij en zij en zij. Waarom kon ik het niet? Wat ging er mis? Wat deed ik verkeerd? Ik wil ze zo graag alle geluk en gezondheid gunnen, die blozende moeder en haar prachtige baby… Maar toch. Het is een wondje dat telkens opengaat of even venijnig trekt. Ik denk aan mijn eigen tweede kraamtijd die zo anders liep dan verwacht. Ik mijmerde over een kraamtijd thuis met een kraamverzorgster en een gezond kindje in een wiegje naast mijn eigen bed… Het kraampakket was besteld. Alles was voorbereid.  Mijn bed had nieuw fris beddengoed, de badkamer was gepoetst en het wiegje opgemaakt. Maar er kwam geen kraamverzorgster. Het wiegje was leeg de eerste tijd. Het werden bezoekjes aan mijn kind op de couveuseafdeling. Een kindje dat er anders uitzag als in mijn dromen. Ik moest mijn verwachtingen bijstellen.

Hoe anders was het de eerste keer. Mijn eerste kind overtrof mijn verwachtingen. Ik had nog nooit zo’n prachtige baby gezien. Ik was trots. Dit moois kwam uit mijn buik. Toen Joris er net was, heb ik vaak heel hard terugverlangd naar de babytijd van Mirthe. Alles ging beter bij haar. De bevalling,  haar groei, haar ontwikkeling.  Ik besefte pas achteraf hoe bijzonder het was dat zij ging kruipen en haar eerste stapjes zette, haar eerste hapjes nam en de eerste boterham. Joris deed het allemaal niet. Je mag je kinderen niet vergelijken, maar ik deed het voortdurend in het begin. Joris voldeed niet aan mijn verwachtingen. Ik dacht rare dingen. Wat als hij doodgaat? Wat als ik een derde kans krijg? Ik wil een blozende baby in de wieg met een rond hoofdje en bolle wangen. Ik wil een onbezorgde kraamtijd. Het zwakke jong moet uit het nest. Ik wil een nieuwe. Ik wil bewijzen dat ik het heus nog wel kan. Een sterk jong voortbrengen. Een echte baby. Achteraf schaam ik me voor die gedachtes. Ik krijg het met moeite op papier. Want in de wieg lag een kwetsbaar klein jongetje dat me nodig had. Inmiddels moet ik er niet meer aan denken. Het oergevoel ruimde de gedachtes op. Vergelijken doe ik ook niet, want mijn kinderen zijn allebei zo anders, maar allebei zo mooi. Ik hou zielsveel van mijn eigenwijze vrolijke lieve mannetje. Zijn eigenheid, zijn extra’s, zijn bijzonderheden. Het vervult me met dezelfde verrukking en trots als Mirthe dat doet. Joris is mijn zoon. Ik sla mijn vleugels om hem heen. Maar het gevoel van spijt en verlangen komt nog altijd boven borrelen bij de aanblik van elke nieuwe pasgeboren blozende gezond uitziende baby…

Zwembad

Op tweede paasdag willen wij een gezinsuitje maken. Gezinsuitjes zijn voor ons niet altijd vanzelfsprekend. Met Joris moeten we altijd goed nadenken waar we heen gaan. Kunnen we sondevoeding geven? Is er een mogelijkheid tot verschonen van een jongetje dat niet meer op een commode past? Heeft hij er wat aan en houdt hij het vol? Laat maar zitten, denk ik al gauw. Maar vandaag niet. Vandaag wil ik gewoon gezellig met zijn vieren naar het zwembad. Een zwembad is voor Joris al gauw te koud. Hij beweegt niet veel en bovendien is een doorsnee verkleedhok niet handig, want we kunnen hem nergens neerleggen. Hij is te groot voor een baby-aankleedtafel.  Dus, besluiten we, we gaan naar het subtropisch zwemparadijs in Zandvoort.  Een goed besluit.  Je betaalt wat meer, maar het is er lekker warm. Joris kan wat langer in het water blijven en Mirthe hoeft er niet na een uurtje al uit. Iedereen blij. De eerste hobbel is er al meteen bij aankomst. Een poortje met een draaideurtje. Daar kan geen buggy door, laat staan een aangepaste. Ik loop naar het hokje met de badmeesters en vraag of ik met buggy en al naar binnen mag. De badmeester wijst naar een hoekje voor het poortje, waar een hele hoop wandelwagens staan. We mogen niet met de buggy naar binnen. Ik leg uit dat Joris niet kan lopen. Gelukkig kan hij wel lachen naar de badmeester. Er wordt wat moeilijk gekeken en er moet even gebeld worden. Uiteindelijk mag ik bij uitzondering met buggy en al naar binnen. Kennelijk is hier niet gerekend op gehandicapte jongetjes. Gelukkig blijkt er binnen wel een kleedhok te zijn voor gehandicapten en nadat er een boze moeder met twee rondspringende meisjes is uitgejaagd door de badmeester, worden wij als Vips binnengeleid in een ruime kleedkamer voor onszelf alleen. Er is een speciale douchestretcher waarop we Joris kunnen omkleden, een eigen toilet en voldoende ruimte voor de buggy. Als ik later met  een blije Joris in het zwembad lig besef ik dat het fijn is dat dit soort faciliteiten er zijn en dat het soms ook voordelen heeft, zo’n uitzonderingspositie. Want wie van al deze zwemmende mensen heeft zo’n mooi groot verkleedhok voor zichzelf in deze drukte?  Het water is heerlijk. Joris geniet enorm. Hij kraait en lacht de hele tijd. Ik geniet van zijn blote warme lijfje tegen het mijne. Mirthe zwemt enthousiast om ons heen. Ik voel me even een “gewoon” gezin dat met zijn vieren “gewoon” naar het zwembad gaat en dat voelt goed.  Gewoon “gewoon”, dankzij de uitzonderingspositie en het bordje met de rolstoel, waar we voorheen altijd voorbijliepen.