Frank

Maandagmorgen. Een vertrouwde taxi komt stipt om half negen voorrijden. Frank stapt uit. Een vriendelijke chauffeur met stoere tatoos, een oorbel en pretogen. “Goedemorgen Jorissie!! “, zegt hij vrolijk. Joris lacht terug. Ze hebben beiden geen last van een ochtendhumeur. Joris heeft de taxi voor zichzelf. Riant zit hij in zijn stoeltje. Hij knikt blij met zijn hoofdje. Hij zit goed. “Nou we kunnen karren”, zegt Frank. Hij heeft er zin in. Joris vindt het prima. Hij kijkt al niet eens meer naar zijn ouders als ze hem uitzwaaien. Frank moet hem erop wijzen. ”Zwaai maar naar mama”. Frank zwaait en toetert. Joris zit vorstelijk op de achterbank en kijkt uit het raampje. “Het gaat goed hoor”, lijkt hij te zeggen. De taxi met mijn kleine man verdwijnt de hoek om. Ik voel me rustig. Ik weet dat Joris bij Frank goed en veilig zit. En niet alleen wij hebben een goed gevoel bij deze grote kindervriend. Ook de juffen zijn blij met Frank. Stipt op tijd, geen gehannes met het autostoeltje, altijd vrolijk. Net als Joris. Die twee liggen elkaar. Joris vlijt zijn hoofdje op zijn stoere schouder. Frank kietelt Joris en zet hem liefdevol in zijn stoeltje. Frank heeft een klein hartje. Ruwe bolster, blanke pit. Hij rijdt Joris graag, want Joris zeurt niet. De kleine man kraait vrolijk op de achterbank. Een van de betere klanten. “Joris heeft wat”, zegt Frank vaak. Daarmee relativeert hij Joris’ handicap. Want Frank heeft het niet over een afwijking, nee hij heeft het over “The  X-factor. Frank geeft mij een goed gevoel. Vandaag reed hij Joris voor het laatst. Ik zucht. Ik vind het zo jammer dat het ophoudt. Joris gaat vanaf volgend schooljaar met het leerlingenvervoer mee. In de bus met andere kinderen. Het hoort erbij. Maar Joris is nog zo klein en kwetsbaar. Hij kan niet vertellen hoe het gaat in de bus. Ik hoop er maar het beste van. Ik had nooit gedacht dat je je zo kon hechten aan een chauffeur.  Vanaf nu kijk ik met weemoed naar elke taxi van de Bios op de weg. Frank vindt het ook moeilijk. In zijn stoere gezicht zie ik zijn ogen vochtig worden. “Dag Jorissie” Joris lacht terug. “Dag Frank”, lijkt hij te zeggen. “Tot morgen…”

Afscheid

Afscheid nemen is een beetje sterven. Dat heb ik vandaag ondervonden. Want Joris was vandaag voor het laatst op “Dribbel”, de therapeutische peutergroep op de vroegbehandeling in Heliomare. Twee jaar lang was hij er drie ochtenden in de week. Hij heeft er zijn eerste belangrijke ontwikkelingsstappen gezet. En niet alleen hij. Ook wij ouders. Twee jaar was hij toen hij binnen kwam. Nog een heel klein mannetje. Wij wisten nog nergens van en waren onbekend in het land van syndromen en handicaps. Nu twee jaar later is deze wereld bekend en vertrouwd en lang niet zo verschrikkelijk als we dachten. Joris en wij zijn een stuk wijzer geworden. De vroegbehandeling is een warm bad. Een fijne plek voor Joris. Een fijne plek voor mij als moeder. Wij horen erbij. We zijn één van hen. Joris heeft zijn eigen talenten en die worden daar gezien en benut. Joris heeft geleerd om liedjes af te maken met een geluidje en te kiezen uit twee voorwerpen. Hij heeft zijn eerste stapjes gezet in zijn loopkar en de eerste voorzichtige meters afgelegd in zijn rolstoel. Ik heb altijd heel veel liefde en toewijding gelezen in de ogen van de juffen en therapeuten. De oprechte blijheid gevoeld bij elke ontwikkelingsstap. Ik heb de wereld van Joris in deze kleine vertrouwde wereld van Dribbel de afgelopen jaren een beetje groter zien worden. Twee jaar geleden lag hij met een speeltje op de mat. Nu gaat hij in zijn loopkar het hele pand door. Joris heeft een eigen “ik” gekregen. Maar de juffen en therapeuten zagen zijn “ik” al vanaf de eerste dag in zijn lachende gezichtje.

Het maakt mij een trotse mama. Nu moeten we het warme bad uit. Joris weet van niets. Hij lacht naar zijn juf Irene, alsof hij haar morgen weer ziet. Maar wij hebben tranen in onze ogen, want wij weten dat deze periode voorbij is. Zoals ieder kind van vier, gaat Joris naar de volgende fase. Irene geeft mij een stick met foto’s mee die ze gemaakt heeft vanaf 2010 tot nu. Als je de foto’s achter elkaar ziet, zie je een prachtige film van een gelukkige Joris die de wereld onderzoekt op zijn eigen wijze manier. Op een plek waar het mogelijk wordt gemaakt te groeien van dreumes naar peuter naar kleuter. Een plek waar hij op waarde wordt geschat, waar ze hem kennen, waar ze weten wat hij wel en niet nodig heeft. Waar ze zijn kwaliteiten zien en zijn bijzonderheden. De kinderen zijn misschien beperkt in Heliomare, ze zijn ook compleet, gewoon omdat ze zijn wie ze zijn. Het is een mooie compilatie van de afgelopen jaren. Buiten het bad regent het tranen. Ik hoop dat hij in zijn verdere leven diezelfde warmte en toewijding zal blijven ontvangen. Maar zoals het bij Dribbel was, zo wordt het nooit meer. Afscheid nemen is een beetje sterven. De vroegbehandeling  is een zoete herinnering aan de peutertijd van Joris en dat kunnen ze mij niet meer afnemen. Dag lieve Irene, Mirjam, Linda, Marjanne, Yvette, Sophie, Marjan en Ina Annet! Bedankt voor alles!

Boodschappen

Joris en ik brengen Mirthe naar school. We wandelen heerlijk in de buitenlucht het bekende weggetje naar het schoolgebouw. Mirthe gaat voor ons uit op haar step. Joris zit lekker te kletsen in zijn wagen. “Hum hum hum “, zegt hij. Hij knikt blij met zijn hoofdje en wappert enthousiast met zijn handjes. In de klas is het druk. “Hai Joris”, zegt een vriendinnetje van Mirthe. “Dag lieve Joris”, zegt een mama van een ander klasgenootje.  Mirthe geeft Joris een afscheidszoen. Liefdevol slaat ze haar armen om hem heen. Joris beloont haar met een stralende lach. Er staan een paar klasgenootjes bij. “Wat is hij schattig” Een stoer jongetje aait zachtjes zijn hand. “Dat is mijn broertje”, zegt Mirthe. Ze glundert van trots. Joris vindt het duidelijk erg gezellig in Mirthes klas. Hij kijkt om zich heen en lacht de hele tijd naar iedereen. Nadat we Mirthe hebben uitgezwaaid, gaan we boodschappen doen. Bij de slager krijgt hij een vertederde glimlach, bij de groenteman een high five en bij de DA drogist een aai over zijn bol. Joris is een begrip in het winkelcentrum. De caissière van de Vomar begroet hem enthousiast. “Hee stoere vent, wat heb je mooie schoenen aan!”  Joris lacht. Ontspannen wandel ik met Joris door de supermarkt. Boodschappen doen met Joris is geen straf. Iedereen reageert blij op Joris en Joris is ook blij. Ik ben trots. Dit is mijn kind! In de supermarkt staat een meisje van Joris’ leeftijd stil voor ons in het gangpad. Ze kijkt misprijzend naar Joris. Dat lijkt in ieder geval zo, want ze heeft een pruillip. “Mama waarom doet dat jongetje zo raar?”  De mama ontwijkt mijn blik. “Daar kan hij niks aan doen, hij is zo geboren.” Ik zie haar denken: “Wat ben ik blij dat ik niet in haar schoenen sta”. Dat weet ik natuurlijk niet zeker, maar ik zou het wel denken in haar plaats. Mijn goede humeur is verdwenen. De uitzonderingspositie voelt ineens niet fijn meer. Het meisje trekt haar neus op. “ Je mag dan gezond zijn, Joris is wel veel mooier en veel liever”, zeg ik in gedachten beledigd tegen haar. Want een moeder vindt haar eigen kind het knapst. Ik ook. Soms denk ik er achteraan: “Kun je nagaan hoe hij eruit had gezien als hij geen chromosomenafwijking had. Zo mogelijk nog knapper. Een enorme spetter, net als zijn vader.” Maar die gedachte duw ik weer weg. Joris is namelijk het stralende resultaat van een unieke speling van de natuur. Hij is een enorme spetter, net als zijn vader. Bij de visboer zegt een mijnheer op leeftijd: “Je hebt het liever niet, maar het is wel een mooie wagen.” Zijn ogen staan vriendelijk. Hij knijpt in Joris’ wang. Joris lacht blij. Hij heeft tenslotte een mooie wagen!