Jarig

Vandaag is mijn kleine man vier jaar geworden. Een mijlpaal. Officieel geen dreumes of peuter meer, maar een kleuter. Een kind met een leeftijd waarbij een moeder al nostalgisch terugdenkt aan de babytijd. Wat gaat het snel. Vanochtend werd ik wakker met een katterig gevoel. Mijn zoon is vier jaar geworden. Uit zijn kamer klinkt gekraai, als van een dreumes. Er is geen vierjarig ongeduldig jongetje dat staat te springen voor mijn bed. Een jongetje dat naar beneden wil omdat hij kado’s krijgt. Voor Joris is het een dag als alle andere. Mirthe wordt uitgelaten wakker. Ze wil naar beneden. We hebben de kamer versierd en er ligt een groot kado op tafel. “Mag ik helpen uitpakken?” Mirthe pakt het uit. Een speelbord met knopjes en lichtjes. Leeftijd vanaf zes maanden staat er op de doos. Joris vindt het vijf minuten mooi en smijt het dan op de grond. Ik dwaal af. Ik verlang naar een jongetje van vier dat speelt met zijn nieuwe Playmobil. Maar Joris zit niet in de fase van de Playmobil of de brandweerwagens. Opa en oma komen binnen. Opa heeft een taart gemaakt. Mirthe blaast vier kaarsjes uit. Joris laat het gebeuren. We geven Joris sondevoeding, terwijl wij smullen van de taart. Als we “Hoeraaaa” zeggen, gaan zijn armpjes omhoog. Hoera. Mijn kleine man is vier jaar geworden vandaag. Ik denk met spijt terug aan de dag van zijn geboorte. Aan de dag dat alles veranderde. Ik heb zoveel gemist en nu ineens is hij vier jaar. Vier jaar. Joris kraait en ligt te spelen op de grond. Ik pak hem op en ik knuffel hem. Ik stop mijn neus in het kuiltje van zijn hals. Joris zal altijd mama’s kleine man blijven. Joris lacht en trekt aan mijn haren. “Maak je niet druk mama. Je bent zo oud als je je voelt”, lijkt hij te zeggen. Lief kind met je blije gezichtje, geen vraag naar nog een cadeautje, geen last van weemoedige gevoelens. Hij is gewoon waar hij is en het is goed.

Zomerzon

De zon schijnt. De wereld is buiten. Ik ben binnen met mijn kinderen. Wat zal ik eens doen vandaag. Hoe zonniger en zomerser de dag, hoe beperkter ik me voel. Joris staat in zijn loopkar bij de voordeur. Hij is klaar met de rondjes om de tafel vandaag. Ik open de deur. Joris knijpt zijn ogen dicht tegen de felle zon. We wagen het erop en lopen door ons buurtje met de loopkar. Ondanks de zon vindt Joris het heerlijk. Joris bepaalt de route. Hij heeft de ruimte en hij is vrij. Mirthe en ik volgen. Mirthe past zich aan. Ze zoekt mooie stenen en klimt op een klimrek. “Mama kijk eens!”. Joris loopt door. Geconcentreerd, maar doelgericht gaan zijn beentjes de volgende straat in. Hij knijpt nog steeds met zijn ogen, maar laat zich er niet door afleiden. Op straat is het stil. De mensen zitten verstopt in hun tuinen, bij een meertje of bij de zee, zo stel ik me voor. Joris heeft bultjes op zijn lijfje van de zonnebrandcrème. De hete zon is niet zijn beste vriend. Het zweet loopt langs mijn rug. Mirthe wil zwemmen in de zee. De moed zakt me in de schoenen. Met Joris naar het strand is zo’n onderneming. De zon is te heet, het water is te koud. Joris speelt geen uren met emmertjes en schepjes langs de waterkant. Hij rent niet in de branding. Hij zoekt geen schelpen. Een loopkar rijdt niet in het zand. Een rolstoel ook niet. De volgende dag gaan we alsnog. Papa is mee. Dat scheelt een hoop gesjouw. Groen van jaloezie kijk ik naar al die spelende kinderen om mij heen. Ouders die relaxed met een boekje op een bedje naar hun kinderen kijken, terwijl ze slepen met water en modder en zandkastelen bouwen. Natuurlijk, ook hen moet je in de gaten houden. Ook hen moet je constant insmeren. Maar ze zijn vrij. Ze rennen naar de zee als het eb is en rennen lachend weer terug als het vloed wordt. Eb en vloed , eb en vloed. Zo is het leven, bedenk ik me. Dan is het eb, dan is het vloed. Ik probeer mezelf op te peppen. Ik kijk naar mijn kleine man. Hij zit tussen mijn benen onder de parasol. Hij kijkt niet naar de andere kinderen. Hij is niet jaloers. Hij heeft het veel te druk. Zijn handjes graaien door het zand. Hij kijkt verwonderd naar al die korreltjes die zo tussen zijn vingertjes doorglijden. Zijn lijfje lekker tegen mij aangeleund. Ik probeer zijn verwondering te vangen. Het zand gaat zoals het gaat en het leven loopt zoals het loopt. De beperking zit vooral in mijn hoofd, besef ik. Joris geniet. Al weet ik dat het met een uurtje weer voorbij is. Dan hebben we wel een heerlijk uurtje strand gehad.