Sprookje

Er was eens een klein draakje. Zijn naam was Vijntje en hij woonde in een sprookjesbos ver weg van hier. Vijntje had een probleem. Hij was zichzelf al een poosje kwijt en op een heldere avond besluit hij te gaan zoeken in het sprookjesbos. Hij begint zijn reis bij het kasteel van Grote Dromen, waar de wijze oude koning woont. Vijntje staat verwachtingsvol aan de poort. De wijze oude koning zit net wat te soezen op zijn troon. “Weet u waar ik mezelf kan vinden?”,valt Vijntje met de deur in huis. De koning doet één oog open, niet van plan om dromenland direct te verlaten voor een kleine draak. “Je moet op zoek gaan naar de spiegel met het gouden randje”, zegt hij na een poosje. “Daar zul je jezelf in vinden”. Vijntje klapt enthousiast met zijn vleugels, blij met dit nieuws. “Maar wijk niet af van je eigen pad, anders verdwaal je”, roept de koning hem nog na. Maar Vijntje hoort hem al niet meer. Hij is allang een groen stipje in de nacht. Pas duizend mijlen verder ploft hij uitgeteld neer op een bedje van mos. Van onder een blad, kwaakt een felgroene kikker hem vriendelijk toe. “Hoe komt het dat jij veel groener bent dan ik?”, roept Vijntje uit. Hij wilde dat hij ook zo’n groene kleur had. “Ik ben zo groen, omdat ik gestopt ben met ook willen”, kwaakt de kikker intens tevreden. Vijntje besluit dat hij stopt met ook willen. “Weet jij waar ik de spiegel met het gouden randje kan vinden?” vraagt hij. De kikker heeft geen idee. “Vraag het anders aan de pauw”. Zo gezegd zo gedaan. Vijntje vervolgt zijn pad en vliegt naar het paleis van de pauw. De koningsblauwe pauw is net bezig zijn veren uit te waaieren en Vijntje is onder de indruk van al die prachtige kleuren. “Hoe kom je aan zulke prachtige kleuren?” vraagt hij. “Dat komt omdat ik trots ben”, zegt de pauw. Vijntje besluit dat hij ook trots is. “Weet jij waar de spiegel met het gouden randje is?” De pauw dacht diep na. “Vraag het aan de schildpad. Hij woont bij de beek. Je kunt hem niet missen, want hij gaat niet zo snel”. Vijntje vervolgt zijn pad naar de beek. De schildpad ligt te dutten bij het water. “Vind je het niet erg dat je zo langzaam bent? “, vraagt het kleine draakje hem. De schilpad doet verbaasd zijn ogen open. “Ik ben niet langzaam. Ik ben precies snel genoeg”. Vijntje besluit dat hij ook precies snel genoeg is. Hij heeft dorst gekregen van al dat zoeken en neemt een slok water uit de beek. Dan begint hij te stralen. Daar, in de spiegeling van het water vindt hij zichzelf omgeven door een gouden randje van de opkomende zon.

De Spaanse danseres en het draakje

Dit verhaal gaat over een Spaanse danseres. Ze heet Mirthe. Het is niet zomaar een danseres. Ze is heel bijzonder. Zoals een echte danseres houdt ze van dansen en ze maakt graag plezier met haar vriendinnen. Vandaag is het carnaval op school en iedereen ziet er fantastisch uit. Maar de mooiste is de Spaanse danseres, die al vroeg heeft geleerd dat niet elke dans even gemakkelijk is. Ze draait trots rondjes. Haar jurk waaiert om haar heen. Vrolijk rood met zwarte stippen, dat even later opgaat in de kleurrijke optocht van prachtig uitgedoste kinderen. Iedereen danst uitgelaten achter elkaar aan op de muziek. De Spaanse danseres danst op haar schoentjes met echte hakjes alsof ze nooit anders heeft gedaan. In haar ogen schijnen lichtjes en haar wangen zijn rood van de opwinding. Ze geniet van de muziek en van al haar klasgenootjes. Ze is onbezorgd. Ze is in haar eigen wereld van kind zijn. De wereld waarin de zorg voor haar broertje naar de achtergrond is verdwenen. De zorg van elke dag over haar bijzondere kleine broertje Joris, die vandaag een bijzonder klein draakje is dat ook carnaval viert. Ver weg van de school van zijn grote zus. In zijn eigen klasje van zes kindjes. Hij draait blij rondjes in zijn loopkar. Zijn drakenpak zit hem als gegoten. Hij geniet van de liedjes die gezongen worden, ook al weet hij niet precies waar het over gaat. “Carnaval is om te zingen, om te dansen en te springen…” De Spaanse danseres en het kleine draakje vormen samen prins en prinses Carnaval die elk in hun eigen wereld genieten van het feest, maar die op de tekening van Mirthe samenwonen in een prachtig kasteel.

Later

We zitten op de bank. De stem van de journalist op de televisie vult de kamer. Het gaat over de crisis die ons allemaal raakt. Er moet gesneden worden in de zorg. Op het beeldscherm danst een vrolijke 83-jarige mijnheer. In feite is hij al 80 jaar een jongetje van drie. Hij is volledig afhankelijk van de zorg in een instelling. Ik luister naar de plannen van minister Rutte. De kosten rijzen de pan uit. Kinderen moeten zo lang mogelijk thuis blijven wonen. Maar deze mijnheer heeft geen ouders meer, ook al is hij pas drie jaar. De journalist praat over agressieve, moeilijk te hanteren kinderen. Kinderen die door hun ziekte of afwijking niet weten hoe ze moeten leven. Ze zijn bang. Ze hebben 24 uur per dag zorg nodig. Instellingen kunnen deze kinderen niet aan. Ouders hebben een onmenselijke taak. Een wanhopige moeder zegt met tranen in haar ogen dat ze niet opzij zal gaan voor een vrachtwagen van rechts. Ze zou haar kind liever dood zien dan dat hij achterblijft met pijn en gebrek aan goede zorg. Mijn wijntje smaakt mij niet meer. Ik denk zo vaak aan “later”. Later als de kinderen zijn uitgevlogen. Joris zal nooit uitvliegen. Ik loop naar boven, weg van die nare beelden. In de vier jaar oude babykamer ligt mijn kleine mannetje nietsvermoedend in zijn bedje te slapen. Ik aai zijn wang en vraag me af waar hij over droomt. “Als ik later groot ben, dan word ik geen piloot, dokter of concertpianist. Ik word gewoon Joris. Ik hoef niet te trouwen en ik hoef ook geen groot huis. Ik wil gewoon mijn papa en mama. Ik hoef niet te reizen, maar ik wil wel naar buiten. Ik hoef geen snelle auto. Een auto van lego misschien en een knuffelkonijn in mijn bed..”. Het is mijn eigen invulling. Joris is altijd volledig in het hier en nu. Mijn oog valt op zijn geboortekaartje dat ik zelf getekend heb. Joris in het midden, samen met zijn zusje. Hij was zo welkom. “Ik laat je niet alleen, kleine man”, fluister ik tegen mijn slapende zoon. Ik heb je het leven gegeven en hoop met heel mijn hart dat ik jou ooit voor het laatst in slaap mag zingen. Want ook al zal het echt niet altijd gemakkelijk zijn, jij hoort altijd in het midden. Ik geef hem een zoen en sluip zachtjes zijn kamertje weer uit. Ik besluit eerst maar wat te maken van de nieuwe dag die komt.