Vrijheid

Het is 4 mei 2013. Een mooie avond. Joris ligt heerlijk in zijn bedje met schoongewassen haren. Ik zit met Richard en Mirthe op de bank. Op de televisie is de dodenherdenking op de dam. Koning Willem Alexander en koningin Maxima hebben hun eerste optreden sinds de inhuldiging. Ze kijken serieus, net als alle andere mensen om hen heen. Ik leg Mirthe uit dat we om 8 uur twee minuten stil zijn. “Waarom?”, vraagt ze. “Omdat we aan alle onschuldige mensen denken die dood zijn gemaakt in de oorlog”. “Waarom?”, vraagt ze weer. Hoe kan je het uitleggen in een paar zinnen? Ze kijkt geboeid naar de trompet op T.V.. We zijn stil, net als de mensen op het beeldscherm. Allemaal ernstige gezichten. Ieder met zijn eigen gedachten. Die vrouw denkt aan haar joodse ouders die het concentratiekamp niet hebben overleefd. Die man denkt aan zijn zoon die pas vijf jaar geleden is gesneuveld in de oorlog van nu. Ver weg van zijn vaderland. Mijn gedachten gaan uit naar al die gehandicapten die niet mochten bestaan omdat ze niet “zuiver” waren. 5000 kinderen die werden gescheiden van hun ouders en in een inrichting gestopt, waar ze werden uitgehongerd of vergiftigd. Voor mijn geestesoog verschijnen allemaal kinderen als Joris. Onschuldige kinderen die door wetenschappers willens en wetens werden omgebracht. Hun leven was zinloos. Weg ermee. Ze besmetten het zuivere ras. Ik krijg kippenvel. Ik bedenk me hoe bizar kort het eigenlijk maar geleden is dat deze horrorpraktijken zich hebben afgespeeld. De volgende dag is het vijf mei. Bevrijdingsdag. Het is nog vroeg, maar de zon schijnt. Ik zet Joris in de rolstoelfiets en ga fietsen door Spaarnwoude. We worden begroet door een wandelaar. Joris zit blij te knikken en te hummen. De wind speelt met zijn haren en aait over zijn gezicht. Vandaag kan ik het geschreeuw en de zorg op de vroege ochtend relativeren. Vandaag vier ik dat ik vrij mag fietsen met dit zuivere kind door het groen.