Vriendschap

 

Ik zit met één van mijn liefste vriendinnetjes en naamgenootje in de sauna. We kennen elkaar van de tijd dat de wereld nog aan onze voeten lag. Nu vele jaren later, heeft zij drie leuke gezonde kinderen. Op het moment dat Richard en ik tot onze oren in de onderzoeken zaten omdat er “iets” met Joris was, iets ernstigs, op dat moment vertelde zij mij dat ze zwanger was van haar derde kind. Het groene monster ging tussen ons in staan en ontnam mij iedere blijdschap. Ik kon niet blij zijn om het nieuwe leven in haar buik. Omdat het niet in de mijne zat. Omdat niet ik het was, maar zij die het meemaakte: Een verwachtingsvolle tijd, zonder vervlogen hoop en teleurstelling. Maar het heeft niet gewonnen, dat groene monster. De liefde is sterk tussen ons. Ze voelt me aan als geen ander. Ze geeft me bevestiging en houdt me een spiegel voor. Ze kan niet alles begrijpen wat een lotgenoot begrijpt, maar ze begrijpt mij wel. Ze luistert naar mijn geklaag en relativeert als ik het nodig heb. Met haar kan ik nog net zo onbezorgd lachen als vroeger toen we jong waren en teleurstelling nog buiten de deur stond. Ik staar naar het houten plafond en snuif de dennengeur op. “Ik vraag me af hoe het zou zijn als Joris een gezond vijf jarig jongetje was geweest”, mijmer ik. Het leven zou lichter zijn. “Ja”, zegt mijn vriendin, “maar toch kan ik me er helemaal niks meer bij voorstellen. Jij bent jij, omdat Joris is wie hij is. Als Joris gezond was geweest, was jij ook heel anders. Misschien was je wel veel meer aan het zoeken. Nu zoek je niet. Nu bèn je”. Het zijn een van de meest troostrijke woorden die iemand tegen mij heeft gezegd na al die tijd. Ik roep ze op als ik vijf jarige jongetjes zie rondspringen op het schoolplein. Ik ben ik, jij bent jij en Joris is Joris.

Het duinhuis van Garno

 

Dit verhaal gaat over een kleine garnaal genaamd Garno. Garno is een vrolijk en eigenzinnig garnaaltje. Zoals de meeste garnalen vindt Garno het heerlijk om zich in te graven in het zand en zwemt hij het liefste achteruit. Op een goede dag, als Garno weer eens lekker aan het ravotten is op de zeebodem, wordt hij plots opgeschrikt door een prachtig synchroon geluid. Het geluid komt van boven, waar net een school met kleurrijke vissen voorbij zwemt. Ze blazen glinsterende belletjes en zwemmen precies in de maat. Garno is onder de indruk. “Mag ik met jullie mee?”, vraagt hij aan een prachtig oranjeblauw visje, temidden van zijn soortgenoten. “Natuurlijk, je bent welkom”, zegt het visje en de school opent zich onmiddellijk. En zo wordt Garno als vanzelf opgenomen als klein garnaaltje in de menigte van kleurrijke vissen. Maar hoe Garno ook zijn best doet, hij kan de juiste maat niet vinden. De vissen veranderen steeds van richting en hij kan ze helemaal niet bijhouden. Uiteindelijk zwemmen de vissen verder en blijft hij alleen achter in een wolk van luchtbellen. Verdrietig zit hij te snikken onder een anemoon. “Hallo”, hoort hij ineens boven zijn gesnik uit. “Waarom huil je?” Garno kijkt om zich heen. Wie zei dat? Al wat hij ziet zijn sterretjes die dansen voor zijn ogen. Pas als hij zijn tranen heeft gedroogd ziet hij dat de stem afkomstig is van de zeester die voor zijn neus danst. “Ik kan de vissenschool niet bijhouden omdat ik niet in de juiste maat zwem”, zegt Garno. ”O”, zegt de zeester, “maar wat is de juiste maat?” Garno weet het ook niet. “Waar kom jij vandaan?”, vraagt Garno vervolgens. “Ik kom van het Duinhuis”, zegt de zeester. “Het Duinhuis?”, vraagt Garno nieuwsgierig. “Jazeker”, zegt de zeester. “Het Duinhuis is een heel mooi huis in de duinen, waar de enige juiste richting je eigen richting is. Zo ga je nooit de verkeerde kant op, ook al zwem je achteruit.” “Echt?”, vraagt Garno ongelovig. “Jawel”, zegt de zeester. “Bovendien is het er heel leuk. Je kunt er spelen met zandkorrels, bubbelen in het water en duiken in een ballenbad.” Dat lijkt Garno wel wat. “Kom maar mee”, zegt de zeester, “dan laat ik het je zien.” Nog voordat Garno met zijn ogen kan knipperen, zit hij al op de rug van een dolfijn. “Hou je goed vast, daar gaan we!” En daar gaat Garno, in tegenovergestelde richting van de vissenschool. Onderweg hoort hij prachtige liedjes en wordt hij luid aangemoedigd door de krab, de zeeschildpad , de octopus en het zeepaardje. De dolfijn duikt en maakt loopings en Garno gilt het uit van plezier. Hij belandt op de kop van de orka, die hem een vette knipoog geeft, waarna Garno via zijn spuitgat, hoog in de lucht wordt geblazen. Hij danst op het water en ploft neer op het strand. Als hij de zandkorrels uit zijn oren peutert,hoort hij een vrolijk geluid. Daar staan de pinguïns al te klappen en te dansen. Zeemeeuwen cirkelen vrolijk boven zijn hoofd. “Deze kant uit”. Op de rug van de Zeemeeuw ziet Garno in de verte tussen de glooiende duinen het huis al staan. Er klinkt muziek en de deuren gaan open. Binnen wordt hij begroet door zijn garnalenbroertjes en zusjes.

Op een zonnige zomerse dag stuurt Joris doelbewust en zonder enige hapering zijn rolstoel het Duinhuis in. De gekleurde visjes op de spaakbeschermers van zijn rolstoel cirkelen vrolijk met hem mee. Joris kijkt niet vragend om naar zijn moeder, maar wijst haar de weg. Deze kant op, mama, zegt zijn parmantige blik. Het enige wat ik kan doen, is hem volgen. Want wie kan mij beter de weg wijzen, dan mijn eigen kind? Wanneer de schuifdeuren zich achter hem sluiten, gaat de storm van twijfel liggen en wordt het helder in mijn hoofd.

Recht op ontwikkeling

Vandaag had Joris zijn laatste schooldag. Zijn schoolcarrière is voorbij, nog goed en wel voor hij begonnen is. Voor het laatst snuif ik de zeelucht op van Wijk aan Zee, waar Heliomare is. Drie jaar lang kwam Joris daar. Het laatste jaar zat hij in de kleuterklas. Nu gaat hij weg. Over mijn wang rolt een traan. Een traan van verdriet omdat Joris hier niet meer komt. Een traan van opluchting omdat Joris niet meer hoeft. Het is goed zo. Je stelt je grens steeds een stukje naar beneden bij. Wonderlijk hoe dat werkt in je geest. Toen Joris net was geboren, grapte ik tegen Richard dat hij vast veel slimmer met computers zou worden dan zijn vader. Toen Mirthe naar groep 3 ging , keek ik verlangend achterom naar de kleine houten stoeltjes die in een kring stonden opgesteld in haar kleuterklas. In gedachten zag ik Joris al op zo’n stoeltje zitten. Een stoeltje met zijn eigen naam, die hij dan aan het eind van de kleuterklas zelf kon schrijven. Inmiddels is Joris bijna vijf en heb ik dat verlangen allang laten varen. Mirthe sluit groep 3 af met een liedje dat ze zingt met de hele klas: “Ja, we mogen in groep drie, gebruiken onze fantasie, woorden worden een verhaal en zo leren wij de taal……”. Joris gaat van school. Ik had het zo graag gewild. Joris in de kring op zijn aangepaste stoeltje. Waar liedjes worden gezongen, want daar houdt hij zo van. Waar boekjes worden gelezen, want daar bladert hij zo graag in. Waar je mag vertellen over het weekend. “Waarom zou je het hem niet aanbieden?”, zei de clustermanager van Heliomare Onderwijs vorig jaar bij de rondleiding op school. En zo geschiedde. Joris ging naar de kleuterschool.

Mijn gedachten gaan terug naar mijn eigen lagere schoolperiode. Ik was een ijverig meisje. Jij gaat vast naar het gymnasium zei de meester tegen mij en zo geschiedde. Maar toen ik eenmaal op het gymnasium zat, werd ik genadeloos ingehaald door nog veel slimmere kinderen. Ik ploeterde op Latijnse en Griekse vocabulaire en voelde me doodongelukkig. Aan het eind van gymnasium 2, ging ik over naar 3 atheneum, waar ik het zonder klassieke talen veel beter redde. Maar een briljante leerling werd ik nooit. Na mijn eindexamen gingen mijn vriendinnen naar de universiteit. Ik koos voor een Hbo-opleiding, omdat ik niet meer zo op mijn tenen wilde lopen. Ik voelde me veel beter als het me iets makkelijker afging.

De geschiedenis herhaalt zich. Hoe graag ik Joris ook aan een eigen tafeltje in een kring zie, al bij de eerste schooldag heb ik het gevoel dat het te hoog gegrepen is voor hem. De twijfels blijven. Ik loop een dagje mee. Er zitten zeven kinderen in de kring. De kinderen zijn allemaal slimmer dan Joris. Juf zingt een liedje. Joris houdt van liedjes en hij mag de laatste zin van het liedje aanvullen met het laatste woord. “Vlogen beide beentjes, hoepla in de …”. Joris maakt een geluidje en als je geluk hebt, vliegen zijn beentjes de lucht in. We moeten wel tien tellen wachten. Hij heeft tijd nodig om te reageren. Al bij de eerste tel vullen andere kinderen het woord in. “Lucht!”, roepen ze in koor. Joris is stil. De juf vertelt wat voor kleur dag het is vandaag. Vandaag is de oranje dag. “Kijk, Joris heeft een oranje shirt aan.” De kinderen kijken naar Joris. Joris is afgehaakt. Hij zit in zichzelf gekeerd en speelt met zijn oranje shirt. “Waarom zou je het hem niet aanbieden?..” De zin herhaalt zich als een mantra in mijn hoofd. Mijn gevoel zegt iets anders. Joris zit niet op zijn plek. Maanden zit ik in dubio. Mijn verstand zegt dat ik Joris geen onderwijs moet ontzeggen. Ik wil eruit halen wat erin zit, ik wil hem zoveel mogelijk aanbieden. Maar mijn gevoel zegt dat de klas waar hij inzit niet zijn wereld is. Wat moet ik doen? Het antwoord komt uiteindelijk in de voorjaarsvakantie. Ik loop een dagje mee op het orthopedagogische dagverblijf, waar hij vakantieopvang krijgt. Joris zit op de grond tussen de legoblokjes. Er staat een muziekje op. De sfeer is warm en gemoedelijk. “Goedemorgen Joris”, gebaart de juf en Joris lacht. Ineens is de twijfel verdwenen. Zoals ik het gymnasium niet hoef te doen, zo hoeft Joris niet naar school. Als hij maar gelukkig is. Want geluk is de beste voedingsbodem voor ontwikkeling. Maar toch.. Toch speelt de twijfel af en toe weer op. Wat is de beste ontwikkelplek voor Joris? Hebben wij er goed aan gedaan hem van school te halen? De tijd zal het leren.

Vrijheid

Het is 4 mei 2013. Een mooie avond. Joris ligt heerlijk in zijn bedje met schoongewassen haren. Ik zit met Richard en Mirthe op de bank. Op de televisie is de dodenherdenking op de dam. Koning Willem Alexander en koningin Maxima hebben hun eerste optreden sinds de inhuldiging. Ze kijken serieus, net als alle andere mensen om hen heen. Ik leg Mirthe uit dat we om 8 uur twee minuten stil zijn. “Waarom?”, vraagt ze. “Omdat we aan alle onschuldige mensen denken die dood zijn gemaakt in de oorlog”. “Waarom?”, vraagt ze weer. Hoe kan je het uitleggen in een paar zinnen? Ze kijkt geboeid naar de trompet op T.V.. We zijn stil, net als de mensen op het beeldscherm. Allemaal ernstige gezichten. Ieder met zijn eigen gedachten. Die vrouw denkt aan haar joodse ouders die het concentratiekamp niet hebben overleefd. Die man denkt aan zijn zoon die pas vijf jaar geleden is gesneuveld in de oorlog van nu. Ver weg van zijn vaderland. Mijn gedachten gaan uit naar al die gehandicapten die niet mochten bestaan omdat ze niet “zuiver” waren. 5000 kinderen die werden gescheiden van hun ouders en in een inrichting gestopt, waar ze werden uitgehongerd of vergiftigd. Voor mijn geestesoog verschijnen allemaal kinderen als Joris. Onschuldige kinderen die door wetenschappers willens en wetens werden omgebracht. Hun leven was zinloos. Weg ermee. Ze besmetten het zuivere ras. Ik krijg kippenvel. Ik bedenk me hoe bizar kort het eigenlijk maar geleden is dat deze horrorpraktijken zich hebben afgespeeld. De volgende dag is het vijf mei. Bevrijdingsdag. Het is nog vroeg, maar de zon schijnt. Ik zet Joris in de rolstoelfiets en ga fietsen door Spaarnwoude. We worden begroet door een wandelaar. Joris zit blij te knikken en te hummen. De wind speelt met zijn haren en aait over zijn gezicht. Vandaag kan ik het geschreeuw en de zorg op de vroege ochtend relativeren. Vandaag vier ik dat ik vrij mag fietsen met dit zuivere kind door het groen.

Moeders voor moeders

In de pauze van mijn werk slenter ik wat door het winkelcentrum. Vanuit een zijstraatje komt een wat oudere mevrouw zojuist de parkeergarage uit. Ze duwt een volwassen man in een rolstoel. Hij slaakt kreten van opwinding en zit te wippen in zijn stoel. Passanten lopen er met een boog omheen. Het lijkt de vrouw niet te deren.  “Zo, nu gaan we eerst een boodschapje doen”, zegt ze en ze buigt voorover naar dit volwassen kind. Ze veegt liefdevol een spuugdraad weg. Ik loop er niet met een boog omheen. Waarschijnlijk had ik dat wel gedaan als alles anders was geweest. Ik ben tenslotte ook maar een mens. Iemand die zich ook geen houding kan geven als er iets onverwachts gebeurt in het openbaar. Maar in deze situatie hou ik mijn pas juist in. Dit is familie. Mensen van het genootschap bijzondere moeders en bijzondere kinderen. “Is dat uw zoon?”, hoor ik mezelf vragen en ik ben verbaasd over mijn eigen brutaliteit. Misschien is ze er wel helemaal niet van gediend. Winkelende mensen die haar zomaar aanschieten. “Ja, dat is Joep, mijn zoon”, zegt de vrouw vriendelijk. “Geef maar een hand, Joep”. De man geeft een hand en begint enthousiast te gillen. “Dag Joep”, zeg ik. Ik richt me tot de vrouw. “Ik heb zelf een meervoudig gehandicapte zoon”, zeg ik vervolgens. Ik weet helemaal niet of ze op deze informatie zit te wachten, maar toch rollen de woorden als vanzelf uit mijn mond. “O ja?”, zegt ze geïnteresseerd. “Woont uw zoon in een instelling?” vraag ik haar zomaar. “Jazeker, hij woont in Breda, want 30 jaar geleden was hier nog niks”, zegt ze weer. Ze kijkt vriendelijk en zeker niet ongelukkig. Ze loopt hier trots met haar zoon, ook al toont hij geen standaard gedrag. Haar gezicht heeft fijne lijntjes. Getekend door het leven, net als ieder ander van haar leeftijd.  Ik wil deze mevrouw nog veel meer vragen. Naar haar leven, of ze gelukkig is en hoe het gaat met haar zoon in de instelling. Maar ik doe het niet. Haar vriendelijke blik doen de vragen verstommen in mijn hoofd. Je kunt niet alles weten en dat is okee, straalt ze uit. “Sorry dat ik u lastig val”, zeg ik vervolgens. “Veel winkelplezier nog”. “Veel geluk met je zoon”, zegt ze vriendelijk en onze wegen scheiden zich. Maar toch is daar die onzichtbare draad tussen haar en mij. De onzichtbare glinsterende draad van bijzonder moederschap.

Geluksvogel

Zondagmiddag. Buiten is de lente ver te zoeken. Maar we moeten er nodig even uit, dus gaan we gezellig met zijn viertjes naar een Indoor Speelparadijs. We zijn niet de enigen die op het idee zijn gekomen, zo blijkt bij aankomst. De auto’s staan tot ver buiten het parkeerterrein. De moed zakt me in de schoenen. In gedachten zie ik al een heleboel starende kinderen voor me en daar heb ik vandaag helemaal geen zin in. Maar Mirthe heeft wel zin, dus we wagen ons de drukte in. Voor Joris is dit een fantastisch uitje. Hij kan in zijn rolstoel alle kanten op rijden. Binnen de kortste keren verzamelt hij een hele stoet bewonderaars om zich heen. Joris heeft er geen oog voor. Hij is alleen maar bezig met de route die hij aflegt. Als een volleerd bestuurder neemt hij bochtjes en ontwijkt hindernissen. Ik loop achter hem en beantwoord vragen. “Wat heeft hij?” “Hij kan niet lopen.” “Is hij gevallen?” “Nee, zo is hij geboren.” “Waarom kijkt hij zo gek?” “Omdat zijn oogje niet helemaal recht staat.” Ik werk het riedeltje geduldig af. “Wat zielig”, zegt een klein meisje en ze kijkt geschokt. Joris lacht naar haar. “Meid, maak je niet druk”, lijkt hij te zeggen. Een oma zegt gewichtig tegen Richard: “Wat goed dat jullie hier zijn. We moeten ze niet verstoppen.” Pfft. Joris hoeft zich helemaal niet te verstoppen. Dat zou toch zonde zijn. Hij kan ons allemaal zoveel leren! We halen Joris uit zijn stoel en zetten hem tussen de ballen en zachte blokken. Hij kraait en gaat billenschuivend de ruimte door. Hij smijt een bal weg, ploft op de zachte mat en rolt heen en weer. “Vroeger noemden we gehandicapte kinderen altijd ongelukkige kinderen”, hoor ik een moeder tegen haar vriendin zeggen. Ik draai me om, mijn ergernis heeft inmiddels plaats gemaakt voor trots. “Maar deze kleine man is niet ongelukkig hoor”, zeg ik lachend. De vrouwen lachen ook, vertederd. “Nee, dat zie ik”, zegt de moeder. We kijken naar Joris. Hij kraait van genot op zijn vierkante meter. Hij heeft geen last van schaamte of van verdriet om wat hij niet kan. Hij denkt niet aan vroeger toen alles nog beter was of aan later, aan wat hij nog allemaal moet doen. Hij hoeft geen oordoppen in tegen het lawaai, geen cursus mindfulness en hij maakt zich al helemaal niet druk om wat anderen van hem denken. Waarschijnlijk is Joris de grootste geluksvogel van het hele indoor speelparadijs.

Sliding Doors

Het is prachtig weer vandaag. Als Joris uit school komt gaan we lekker naar buiten. Mirthe rent met een vriendinnetje voor ons uit. Ze verdwijnt de hoek om waar ik haar later weer vind, hangend aan de ringen van een klimrek. Haar lange haren wapperen in de wind. Joris rijdt onverstoorbaar in zijn rolstoel langs het meidentafereel. Zijn handjes rollen de wielen driftig rond en rond. Ik moet goed oppassen dat hij niet een geultje in rijdt en stuur hem regelmatig bij. Als we op het schoolplein zijn, kan ik hem loslaten. Ik ga tevreden in het zonnetje op een bankje zitten, terwijl Joris rondjes draait en kraaiend een voetbalspel verstoort van een paar jongetjes verderop. In de verte komt een vrouw van mijn leeftijd aanlopen. Aan haar langzame tred zie ik dat ze net zo geniet van de eerste lentedag als ik. Met haar ogen bijna dicht vangt ze de zonnestralen op. Naast haar rent een klein jongetje. Hij klautert het klimrek op en zwaait met zijn benen. Mirthe kijkt er wat meewarig naar. Het jongetje doet stoer, maar is ook nog wel schattig. Hij plukt een bloem en geeft hem aan zijn moeder die inmiddels naast mij zit. “Voor jou mama”, zegt hij. Ik lach vertederd. Joris lacht ook op de achtergrond. “Hoe oud is hij?”, vraagt de vrouw naast mij. “Vier jaar”, zeg ik. “Ik ben ook vier jaar”, zegt het jongetje. “Ik ben ook vier jaar”, echoot het kinderstemmetje van het jongetje in mijn hoofd. “Ja”, zeg ik. Ik weet even geen beter antwoord. Ik moet denken aan de film “Sliding Doors”. Een film die zich afspeelt in twee verschillende werelden. In de ene wereld mist een vrouw net de metro en in de andere wereld haalt ze hem net. Dat ene moment waarin ze de metro net haalt of net mist is allesbepalend voor haar verdere levenspad dat zich in de film compleet verschillend ontvouwt. De vrouw naast mij op de bank lijkt op mij, maar ze komt uit een ander universum. Het resultaat van dat ene moment rolt naar mij toe en bonkt zijn voorhoofdje tegen het mijne. “Voor jou, mama”, lijkt hij te zeggen.

Sprookje

Er was eens een klein draakje. Zijn naam was Vijntje en hij woonde in een sprookjesbos ver weg van hier. Vijntje had een probleem. Hij was zichzelf al een poosje kwijt en op een heldere avond besluit hij te gaan zoeken in het sprookjesbos. Hij begint zijn reis bij het kasteel van Grote Dromen, waar de wijze oude koning woont. Vijntje staat verwachtingsvol aan de poort. De wijze oude koning zit net wat te soezen op zijn troon. “Weet u waar ik mezelf kan vinden?”,valt Vijntje met de deur in huis. De koning doet één oog open, niet van plan om dromenland direct te verlaten voor een kleine draak. “Je moet op zoek gaan naar de spiegel met het gouden randje”, zegt hij na een poosje. “Daar zul je jezelf in vinden”. Vijntje klapt enthousiast met zijn vleugels, blij met dit nieuws. “Maar wijk niet af van je eigen pad, anders verdwaal je”, roept de koning hem nog na. Maar Vijntje hoort hem al niet meer. Hij is allang een groen stipje in de nacht. Pas duizend mijlen verder ploft hij uitgeteld neer op een bedje van mos. Van onder een blad, kwaakt een felgroene kikker hem vriendelijk toe. “Hoe komt het dat jij veel groener bent dan ik?”, roept Vijntje uit. Hij wilde dat hij ook zo’n groene kleur had. “Ik ben zo groen, omdat ik gestopt ben met ook willen”, kwaakt de kikker intens tevreden. Vijntje besluit dat hij stopt met ook willen. “Weet jij waar ik de spiegel met het gouden randje kan vinden?” vraagt hij. De kikker heeft geen idee. “Vraag het anders aan de pauw”. Zo gezegd zo gedaan. Vijntje vervolgt zijn pad en vliegt naar het paleis van de pauw. De koningsblauwe pauw is net bezig zijn veren uit te waaieren en Vijntje is onder de indruk van al die prachtige kleuren. “Hoe kom je aan zulke prachtige kleuren?” vraagt hij. “Dat komt omdat ik trots ben”, zegt de pauw. Vijntje besluit dat hij ook trots is. “Weet jij waar de spiegel met het gouden randje is?” De pauw dacht diep na. “Vraag het aan de schildpad. Hij woont bij de beek. Je kunt hem niet missen, want hij gaat niet zo snel”. Vijntje vervolgt zijn pad naar de beek. De schildpad ligt te dutten bij het water. “Vind je het niet erg dat je zo langzaam bent? “, vraagt het kleine draakje hem. De schilpad doet verbaasd zijn ogen open. “Ik ben niet langzaam. Ik ben precies snel genoeg”. Vijntje besluit dat hij ook precies snel genoeg is. Hij heeft dorst gekregen van al dat zoeken en neemt een slok water uit de beek. Dan begint hij te stralen. Daar, in de spiegeling van het water vindt hij zichzelf omgeven door een gouden randje van de opkomende zon.

De Spaanse danseres en het draakje

Dit verhaal gaat over een Spaanse danseres. Ze heet Mirthe. Het is niet zomaar een danseres. Ze is heel bijzonder. Zoals een echte danseres houdt ze van dansen en ze maakt graag plezier met haar vriendinnen. Vandaag is het carnaval op school en iedereen ziet er fantastisch uit. Maar de mooiste is de Spaanse danseres, die al vroeg heeft geleerd dat niet elke dans even gemakkelijk is. Ze draait trots rondjes. Haar jurk waaiert om haar heen. Vrolijk rood met zwarte stippen, dat even later opgaat in de kleurrijke optocht van prachtig uitgedoste kinderen. Iedereen danst uitgelaten achter elkaar aan op de muziek. De Spaanse danseres danst op haar schoentjes met echte hakjes alsof ze nooit anders heeft gedaan. In haar ogen schijnen lichtjes en haar wangen zijn rood van de opwinding. Ze geniet van de muziek en van al haar klasgenootjes. Ze is onbezorgd. Ze is in haar eigen wereld van kind zijn. De wereld waarin de zorg voor haar broertje naar de achtergrond is verdwenen. De zorg van elke dag over haar bijzondere kleine broertje Joris, die vandaag een bijzonder klein draakje is dat ook carnaval viert. Ver weg van de school van zijn grote zus. In zijn eigen klasje van zes kindjes. Hij draait blij rondjes in zijn loopkar. Zijn drakenpak zit hem als gegoten. Hij geniet van de liedjes die gezongen worden, ook al weet hij niet precies waar het over gaat. “Carnaval is om te zingen, om te dansen en te springen…” De Spaanse danseres en het kleine draakje vormen samen prins en prinses Carnaval die elk in hun eigen wereld genieten van het feest, maar die op de tekening van Mirthe samenwonen in een prachtig kasteel.

Later

We zitten op de bank. De stem van de journalist op de televisie vult de kamer. Het gaat over de crisis die ons allemaal raakt. Er moet gesneden worden in de zorg. Op het beeldscherm danst een vrolijke 83-jarige mijnheer. In feite is hij al 80 jaar een jongetje van drie. Hij is volledig afhankelijk van de zorg in een instelling. Ik luister naar de plannen van minister Rutte. De kosten rijzen de pan uit. Kinderen moeten zo lang mogelijk thuis blijven wonen. Maar deze mijnheer heeft geen ouders meer, ook al is hij pas drie jaar. De journalist praat over agressieve, moeilijk te hanteren kinderen. Kinderen die door hun ziekte of afwijking niet weten hoe ze moeten leven. Ze zijn bang. Ze hebben 24 uur per dag zorg nodig. Instellingen kunnen deze kinderen niet aan. Ouders hebben een onmenselijke taak. Een wanhopige moeder zegt met tranen in haar ogen dat ze niet opzij zal gaan voor een vrachtwagen van rechts. Ze zou haar kind liever dood zien dan dat hij achterblijft met pijn en gebrek aan goede zorg. Mijn wijntje smaakt mij niet meer. Ik denk zo vaak aan “later”. Later als de kinderen zijn uitgevlogen. Joris zal nooit uitvliegen. Ik loop naar boven, weg van die nare beelden. In de vier jaar oude babykamer ligt mijn kleine mannetje nietsvermoedend in zijn bedje te slapen. Ik aai zijn wang en vraag me af waar hij over droomt. “Als ik later groot ben, dan word ik geen piloot, dokter of concertpianist. Ik word gewoon Joris. Ik hoef niet te trouwen en ik hoef ook geen groot huis. Ik wil gewoon mijn papa en mama. Ik hoef niet te reizen, maar ik wil wel naar buiten. Ik hoef geen snelle auto. Een auto van lego misschien en een knuffelkonijn in mijn bed..”. Het is mijn eigen invulling. Joris is altijd volledig in het hier en nu. Mijn oog valt op zijn geboortekaartje dat ik zelf getekend heb. Joris in het midden, samen met zijn zusje. Hij was zo welkom. “Ik laat je niet alleen, kleine man”, fluister ik tegen mijn slapende zoon. Ik heb je het leven gegeven en hoop met heel mijn hart dat ik jou ooit voor het laatst in slaap mag zingen. Want ook al zal het echt niet altijd gemakkelijk zijn, jij hoort altijd in het midden. Ik geef hem een zoen en sluip zachtjes zijn kamertje weer uit. Ik besluit eerst maar wat te maken van de nieuwe dag die komt.